Testament

De Rijn- en IJsselbode van 14 oktober 1871 vermeld het volgende “op 2 oktober jl overleed alhier de WelEerw. Heer Pelgrom van Enghuizen, rustend pastoor. Den 5den dezer werd hij op het R.K. kerkhof te Oud Zevenaar ter aarde besteld. De geestelijkheid der beide door hem bevoorregte gemeenten ontving met buitengewone pracht zijn stoffelijk overschot dat op vereerende uitnoodiging der achtenswaardige erfgenamen door het R.K. parochiaal armbestuur, in verschillende rijtuigen gezeten, werd gevolgd.

De rustplaats van Pastoor Pelgrom aan de kerk van Oud-Zevenaar(Foto rechts)

Het bleek dat hij jarenlang zuinig had geleefd om aan zijn stichting een goede financiele basis te geven, aldus de verklaringen van”een huisjuffrouw”. Een kleine maand voor zijn dood, op 6 september 1871, laat oud-pastoor Pelgrom bij notaris Zeno Johan Gerhard de Both te Zevenaar een testament maken, dat een vervolg is op een in 1867 eigenhandig geschreven bij notaris Pliester gedeponeerd testament. Pliester was de voorganger van De Both.

In het testament benoemd hij zijn neef Reinoud von Motz tot zijn enige en algemene erfgenaam, hij bedenkt zijn neef met een studietoelage en met Enghuizen, bovendien moet hij zijn naam aan Pelgrom van Enghuizen verbinden, Reinoud gaat dus voortaan door het leven als Pelgrom von Motz van Enghuizen. Hij regelt in zijn testament dat o.a. voor zijn zielerust ten eeuwigen dage een jaargetijde dient te worden gelezen in de Andreaskerk “met koor en orgel en uitdeling van brood” Dit heeft geleid tot invoering van de jaarlijkse Pastoorpelgromdag in de Pelgromhof, rond zijn sterfdag van 2 oktober.

Tenslotte regelt hij in zijn testament dat “de verdere effecten, na aftrek van de successierechten dienen te worden aangewend tot een stichting die de naam “PELGROMSTICHTING” te Zevenaar zal gaan dragen. De uitvoerders van de laatste wil, de exeuteurs, Dhr. Louis von Motz (vader van zijn neeft Reinoud en notaris de Bohth, moeten zo spoedig mogelijk na het overlijden van de oud pastoor zorgen dat de beoogde stichting rechtspersoonlijkheid krijgt en wel “ten eeuwigen dage”, het testament vermeldt dat: “Deze stichting strekt tot onderhoud en verpleging van behoeftige en gebrekkige lieden” .

De executeurs van het testament dienen uit de effecten bestemd voor de Pelgromstichting een geschikt huis met de nodige grond aan te kopen of te laten bouwen. Dit huis moet met uitzondering van de woning van diegene die het beheer (boekhouding) gaat voeren voorzien worden van de nodige meubelen en verder alles wat er voor het onderhoud en de verpleging noodzakelijk is. Wat er overblijft , dienst belegd te worden in hypotheken op bezwaarde landerijen, obligaties of rentegevend vastgoed. Uit de inkomsten dienen de kosten van het huis en de huishouding te worden betaald. Er moet altijd een rentegevend kapitaal van zo’n Hfl. 60.000,00 beschikbaar worden gehouden , wat tot op de dag van heden is geraliseerd.

De Statuten en bestuur

Het eerste bestuur, dat bestond uit W.R.K.L.M.(Louis) Pelgrom von Motz van Enghuizen en notaris Z.J.G de Both en de beide pastoors van de parochies van Oud Zevenaar en Zevenaar resp. J. Rikmanspoel en G.J. Oosterik. Als eerste secretaris-boekhouder werd C.F. Neeteson, aangesteld. Dit bestuur stelde op 29 juli 1872 de statuten vast waarin het volgende doel van de stichting werd bepaald:

Pelgromstichting te Zevenaar heeft ten doel, om te voorzienin het onderhoud en verpleging van behoeftige en gebrekkige lieden en ongeneeslijkzieken en in de verzorging en goede opvoeding van kinderen , die door hun ouders verlaten en verwwarloosd zijn en van weezen, die niet door het bestaande weezenfonds van Zevenaar onderhouden worden, zulks ten aanzien van allen die slechts voor zoover zij behoren tot de Roomsch Catholijke Parochien van Zevenaar en van Oud Zevenaar

Aan de verzorging van weezen is men niet toegekomen omdat Het Zevenaarse Weezenfonds kennelijk voldoende in die behoefte voorzag. Op 22 september 1872 kocht het bestuur bestuur van de Pelgromstichting een stuk grond voor de prijs van Hfl. 1.500,00 in het cenrum van de stad , groot 30 aren en 70 centi-aren, sectie A Nr. 145 van Johan Kersten, die gehuwd is met Johanna Holtus, en van Hendrikus Damen , die getrouwd is met Geertruida Holtus. Daarnaast wordt er op 10 september 1872 een huis en een erf naast het voornoemde perceel aangekocht groot 6 aren en 60 centi-aren sectie A nr. 144 van Johanna en Willem Abbing voor Hfl. 2.400,00. Tevens wordt er van jonkheer Frans X.J. v. Nispen aansluitend aan de sectie A maar aan de andere kant van de stadsgracht, bouwland, boomgaard en tuin groot 72 aren en 10 centi-aren aangekcht voor een bedrag van Hfl. 2.300,00. Er werd onder leiding van architect-bouwmeester Willem van de Pavert met de bouw begonnen en op 7 maart 1874 werd de eerste steen gelegd, welke bewaard is gebleven, met de volgende inscriptie:

“Gesticht door den WelEerwaarden Heer

Karel Hendrik Pelgrom va Enghuizen

Rustend R.C. Priester en Pastoor te Zevenaar

Anno 1874 den 7e MaartiIs de eerste steen gelegd door den

Hoog Welgebn. Heer

W.R.K.L.M. Pelgrom von Motz van Enghuizen

Op 3 mei 1877 wordt het huis geopend. Het bestuur bestuur bestaat dan uit :

Mr. W.R. Pelgrom von Motz van Enghuizen, president
Pastoor C. Alferink, van Oud-Zevenaar, lid
Pastoor J. Rikmanspoel van de Andreasparochie te Zevenaar, lid
Dhr. F.A. Derks, secretaris, boekhouder